Home » Nieuws » Het ontstaan van de Zodiak

Het ontstaan van de Zodiak

Tegenwoordig doorloopt de Zon in de loop van het jaar dertien sterrenbeelden, waarvan er traditioneel twaalf tot de zodiak behoren (Ari, Tau, Gem, Cnc, Leo, Vir, Lib, Sco, Sgr, Cap, Aqr en Psc). Het dertiende, Ophiuchus, is er bij gekomen door de conventionele wijze waarop de sterrenbeelden afgebakend worden.

Naast de reeks van de zodiakale sterrenbeelden bestaat er ook nog zoiets als een zodiak. Dit is een gordel van ruwweg 16° breed die door de ecliptica doormidden gesneden wordt. Naast de Zon bewegen zich ook de Maan en de planeten in deze zone. Een zodiak wordt in 12 gelijke delen van 30° verdeeld (de zogenaamde tekens) die dezelfde namen dragen als de zodiakale sterrenbeelden. Indien de plaats van het beginpunt (het teken Ram) zó gekozen wordt dat de tekens zo goed mogelijk samenvallen met de er achterliggende gelijknamige sterrenbeelden, dan spreekt men over de siderische zodiak. Deze is dus vast aan de sterren verbonden. Wanneer men als beginpunt het lentepunt kiest (het snijpunt van de hemelequator met de ecliptica waar de Zon staat bij het begin van de lente), dan noemt men dit een tropische zodiak. Door de precessie (de “tolbeweging” van de aardas) is de tropische zodiak ongeveer één teken verschoven ten opzichte van de gelijknamige sterrenbeelden, zodat het teken Ram zich nu bevindt in het gebied van het sterrenbeeld Pisces, de Vissen en is de siderische zodiak de oudste van de twee.
Hoe en wanneer is men ertoe gekomen om de omgeving van de ecliptica in 12 gelijke tekens in te delen ? Wanneer en waarom werd de stap gezet van zodiakale beelden naar tekens ?
Zoals bij veel aspecten van de vroege astronomie moet ook het ontstaan van de zodiak in het Midden-Oosten gezocht worden. Het vroegste stadium dat we kunnen reconstrueren werd gevonden op kleitabletten die beschreven zijn met het karakteristieke wigvormige spijkerschrift van de Sumerisch-Bäbylonische beschaving. Een reeks van deze tabletten bevat een lijst van sterren die in drie groepen van 12 verdeeld zijn. Elke groep is geassocieerd met een buurland van Babylonië ; zo heeft men de 12 sterren van Elam, de 12 sterren van Akkad, en de 12 sterren van Amurru. Binnen elke groep zijn de sterren gerangschikt volgens de maand waarin ze hun heliakische opkomst hadden. (De heliakische opkomst van een ster grijpt plaats wanneer deze voor de eerste maal zichtbaar wordt in de ochtendschemering). Dit klopt echter niet volledig: de tabel bevat ook een drietal
planeten, die niet met een vaste maand verbonden kunnen worden, evenals enkele circumpolaire sterren (die niet heliakisch kunnen opkomen). Het kleitablet met deze lijst dateert uit de Assyrische tijd (archief van Assurbanipal, -7e eeuw), maar de vermelding van de namen Elam, Akkad en Amurru verwijst naar een politieke situatie die bestond tijdens de Oud-Babylonische periode (circa -1900 tot circa -1600). Het is dus een kopie van een veel oudere tekst. De verbinding van sterren met landen gebeurde waarschijnlijk op basis van de zich toen ontwikkelende astrale omenliteratuur. Hierbij werden er aan bepaalde astronomische en meteorologische verschijnselen voorspellingen gekoppeld die betrekking hadden op deze buurlanden.
In een volgend stadium werden deze tabellen omgewerkt. De toewijzing aan de landen verdween en werd vervangen door een verbinding van de sterren met drie zones aan de hemel : de “wegen” van de goden Ea, Anu en Enlil. De weg van Anu was een gordel van ongeveer 30° breedte gecentreerd op de hemelequator. Ten noorden ervan bevond zich de weg van Enlil, ten zuiden de weg van Ea. Met elke zone werd er iedere maand een ster of sterrenbeeld verbonden; vandaar de naam “elk drie sterren”. Alhoewel deze herschikking tot een veel geordender geheel leidde, bleven (op traditionele gronden) de planeten Venus, Mars en Jupiter vermeld. Een aantal sterrengroepen, die later deel zullen uitmaken van de zodiak, zijn reeds aanwezig : de Plejaden, die later synoniem zullen worden voor Taurus ; Aquarius ; Leo, waarvan de helderste ster, Regulus (Latijn voor “kleine
koning”), hier reeds dezelfde naam draagt: LUGAL, heerser, De Tweelingen (Gemini), de pannen (van de Weegschaal), de Schorpioen en AL.LUL (Praesepe) zullen deze namen later als tekens voortdragen. Twee delen van Pisces zijn nog niet tot één beeld versmolten.

Het oudste exemplaar van dit type lijsten dateert van circa -1100, het recentste uit de Seleucidentijd (-312 tot -63), wat het succes van dit type catalogus aantoont.
De volgende stap in de speurtocht naar de ontstaansgeschiedenis van de zodiak bestaat uit de belangrijke astronomische reeks mulAPIN, zo genoemd naar de beginwoorden van de tekst. (mulAPIN is het sterrenbeeld de Ploeg). Deze reeks dateert van omstreeks -950 en is zowat een compendium van de sterrenkundige kennis van die tijd. Vier gedeelten ervan zijn voor ons van belang :
• de lijst van 33 sterren van Enlil, de 23 sterren van AnuJ en de 15 sterren van Ea.
Het is een soort catalogus van sterren en sterrenbeelden. Men was dus kennelijk van het starre schema afgestapt dat aan elke zone precies 12 sterren(beelden) toewees ;
• de lijst van de heliakische opkomst van 36 sterren(beelden). Hier is de verbinding van sterren met de maanden van het jaar nader uitgewerkt zonder rekening te houden met de drie hemelzones. De tekst geeft niet alleen de maand, maar ook de dag waarop een sterrenbeeld heliakisch zichtbaar werd. Zo bijvoorbeeld -maand II, dag 1 : de Plejaden komen op, -maand II, dag 20 : Taurus komt op.

Deze precieze vermelding van de dag is belangrijk en wijst op het gebruik in de mulAPIN van een schematische kalender die het jaar in precies 12 maanden indeelde. De burgerlijke tijdrekening in Babylonië gebruikte een echte maankalender waardoor de heliakische opkomst van een ster in verschillende jaren niet op dezelfde dag plaatsvond.
Deze twee lijsten zijn duidelijk een latere evolutiefase van de “drie sterren elk” waarbij er een splitsing optrad volgens plaats (hemelzones) en tijd (data); de astronomische jaargetijden :
– van maand XII, dag 1 tot maand II, dag 30 staat de Zon in de weg van Anu: wind en storm;
– van maand III, dag l tot maand V, dag 30 staat de Zon in de weg van Enlil : oogst en hitte;
– van maand VI, dag l tot maand VIII, dag 30 staat de Zon in de weg van Anu wind en storm;
– van maand IX, dag l tot maand XI, dag 30 staat de Zon in de weg van Ea : koude.
Deze tekst bevestigt de vorige conclusie : het jaar werd in 12 schematische maanden van 30 dagen ingedeeld. Drie maanden vormen een seizoen (anderhalve maand verschoven ten opzichte van onze seizoenen) en stemmen overeen met de beweging van de Zon door een van de drie hemelzones. De solstitia en equinoxen vielen daardoor in het midden van de maanden I, IV, VII en X. Een dergelijke indeling van het jaar in strikt gelijke delen noemt men een zodiakaal schema :
• de sterrenbeelden “op de weg van de Maan”• Dit deel van de mulAPIN geeft een opsomming
van de sterrenbeelden die door de Maan, de Zon en de planeten doorlopen worden :
“De goden die op de weg van de Maan staan en door wiens gebied de Maan iedere maand
trekt en zich beweegt : de haarlok (Plejaden), de stier van Anu (Taurus), Anu’ s trouwe herder (Orion), de oude man (Perseus), het kromzwaard (Auriga), de grote tweelingen (Gemini), (Cancer met Procyon), de grote hond/leeuw(in) (Leo), de korenaar (Spica), de pannen van de weegschaal (Libra), schorpioen (Scorpius), de pijlenschieter (Sagittarius), de geit-vis (Capricornus), de reus (Aquarius), de staarten (Pisces), de grote Zwaluw (deel van Pisces met E Pegasi), de godin Anunitum (deel van Pisces met deel van Andromeda), de gehuurde landarbeider (Aries).”

Deze lijst van 18 sterrenbeelden bevat alle 12 namen die later gebruikt zullen worden voor de tekens van de zodiak. Het aantal (18) sluit echter uit dat men in die tijd de zodiak als dusdanig reeds kende. Bemerk bovendien dat minstens 8 van de 12 latere tekens een naam dragen waarvan de betekenis dezelfde zal blijven bij de Grieken, de Romeinen en nog lang daarna.
Samengevat kunnen we dus stellen dat de mulAPIN de laatste fase is vóór het ontstaan van een zodiak van 12 tekens. Alle elementen voor de volgende stap waren reeds aanwezig
• de sterrenbeelden in de buurt van de ecliptica waren gekend,
• de sterren waren geordend naar de hernelzones waarin ze zich bevonden,
• de hemelzones verdeelden de ecliptica in 4 gelijke delen, en elk deel omvatte op
zijn beurt drie maanden van het jaar.
In de vijfde eeuw vóór onze tijdrekening werd de laatste stap gezet. Elk seizoen werd onderverdeeld in drie, zodat met de 12 maanden van het jaar ook 12 gelijke delen van de ecliptica overeenkwamen. Tegelijkertijd werd het aantal sterrenbeelden verminderd tot twaalf waardoor er met elke maand een sterrenbeeld verbonden kon worden. Als gevolg hiervan kregen de tekens van de zodiak de namen van de sterrenbeelden “op de weg van de
Maan”, met uitzondering van Taurus die met de benaming Plejaden aangeduid werd. Deze overschakeling naar een wiskundige indeling van de ecliptica werd noodzakelijk door de ontwikkeling van de Babylonische sterrenkunde. Vanaf de zesde eeuw vóór onze jaartelling werden er regelmatig astronomische waarnemingen verricht, en vanaf de vijfde eeuw was er voor de wiskundige verwerking ervan een welomschreven geometrische indeling van de hemel nodig. De zodiak met 12 x 30° (30 graden per teken, omdat een schematische maand 30 dagen had) leverde het gewenste referentiekader.

Het is niet zo eenvoudig om te bepalen van wanneer de eerste vermelding van de tekens dateert aangezien de tekens en de sterrenbeelden dezelfde namen dragen. Wanneer in een tekst de positie van een planeet tot op de graad aangegeven wordt, dan heeft men het ontegensprekelijk over de tekens. Deze vermeldingen dateren echter slechts van de vierde eeuw vóór onze jaartelling. In elk ander geval is de vermelding van de zodiak speculatief.
Van der Waerden vermoedt dat een Venustekst van -445 de oudste vermelding van de tekens kan zijn (“Venus in het einde van de Vissen”), maar zeker is dit niet omdat er onder andere ook een duidelijke vermelding van Praesepe als sterrengroep bijstaat. De volgende kandidaat is een astronomisch jaarboek uit -418 : “Maand I : Jupiter en Venus in het begin van Gemini, Mars in Leo, Saturnus in Pisces ; Maand XIII: Jupiter in het begin van Cancer, … “. (Maand XIII is de schrikkelmaand in de burgerlijke kalender). Volgens Van der Waerden is de term “in het begin van” een verwijzing naar de tekens, maar Sachs heeft erop gewezen dat in dezelfde tekst planeten vermeld worden die “voor” of “achter” … een zogenaamd teken staan. Dit wijst er dan weer op dat er sterrenbeelden bedoeld zouden zijn. Indien beide teksten sterrenbeelden en geen tekens vermelden, dan bestaat er geen enkele aanwijzing voor het gebruik van de zodiak in Babylonië vóór het jaar -400. Vanuit Babylonië kende de zodiak een zeer ruime verspreiding. Nog tijdens de vijfde eeuw vóór onze jaartelling werden er in Griekenland zodiakale schema’s gebruikt door Meton en Euktemon, en omstreeks -370 gebruikte Eudoxos de siderische zodiak in zijn jaarkalender, de Fainomena. Op zijn beurt gaf Griekenland dan de zodiak door aan Egypte (Alexandrië), Rome en daarmee aan gans het Westen. Vanuit Alexandrië werd de zodiak omstreeks 150 Indië binnengebracht, van waaruit later het Verre Oosten (China, Japan) bereikt zou worden. Alhoewel vele volkeren ooit de vorming van de zodiak voor zich opgeëist hebben, heeft één factor de ware herkomst nooit verloochend : de tekens hebben altijd namen gedragen die (soms aangepaste) vertalingen waren van het Babylonische origineel.

Davy Viaene september 2017

Literatuur
Van der Waerden, B.L. : Erwachende Wissenschaft II .· Die Anfänge der Astronomie (1968) .
Gundel, H.& Böker, R.: Zodiakos 1972).
Neugebauer, O. : The Exact Beiences in Antiquity (1969).
Van der Waerden, B.L.: History of the Zodiac, Archiv für Orientforschung, Vol. 16,
blz. 217-230 (1954).

X